Historiek 'rustoord Clep'

Aanvang 1871 — 1876

In het vlakke Veurne-Ambacht, langs de staatsbaan leper-Veurne op de grensscheiding Hoogstade-Pollinkhove, bevindt zich, midden een mooi kader van groen en natuurschoon het “Rustoord Clep". De naam "Rustoord Clep" is pas ingevoerd na de verbouwing 1960-'65. Vroeger heette deze instelling "Gesticht Clep” of "Godshuis Clep"; of in de volksmond "het Oude Mannenhuis”.

Dit gasthuis vond zijn oorsprong in het legaat Clep. Joseph Clep was, in de jaren 1804-1871, woonachtig op de wijk ‘de Nieuwe Herberg' te Alveringem. Bij akte van 22 mei 1869, schonk de heer Joseph Clep, onder vorm van gift tussen levenden, een deel van zijn goederen aan een op te richten bestuur van Burgerlijke Godshuizen, met de opdracht een bijzonder Godshuis op te richten te Hoogstade. Een hele brok plaatselijke geschiedenis herleeft rond die figuur Clep en dat Oud-Mannenhuis.


Portret van Joseph Clep op 67-jarige leeftijd geschilderd door Antoine Wiertz in 1852

Wie was Joseph Clep?

Joseph Clep was de zoon van Ubalde Clep en van Isabelle Cousyn. Hij is geboren te Herzele (kanton van Wormhout) Noord-Frankrijk op 4 oktober 1785 en werd er op 6 oktober gedoopt door priester Monet. Die priester diende hem tot peter. Meter was zijn grootmoeder Marie-Catherine Tacquet. Zijn dooppnamen waren Winoc-Joseph-Placide.

Wanneer Joseph Clep zich in 1804 in Alveringem komt vestigen, moest hij niet eens Frankrijk verlaten, hij moest niet over de “Schreve": de “Schreve” was uitgewist. Wij vinden Joseph Clep als gediplomeerd procureur bij het tribunaal van eerste aanleg te Veurne, gedurende de periode van annexatie door Frankrijk. Hij stond van toen af klaar voor ziin lange loopbaan in de administratie van het land. In Alveringem had Joseph Clep zijn buitenverblijf. Hij werd notarisklerk, advocaat en notaris, eerst in die gemeente, daarna te Veurne. In 1812 kwam zijn zuster Joanna Clep, insgelijks geboren te Herzele (in 1887), hem vervoegen. In 1813 trad Joseph Clep in het huwelijk met Victoire De Man, uit Veurne, die kinderloos overleed in het jaar 1832. Een jaar nadien gaf Joseph Clep op 48-jarige leeftijd, zijn ontslag als notaris. Zijn zuster kwam bij hem inwonen, in de zomer op zijn buitenverblijf te Alveringem, en winters in hun huis te Brussel, gelegen Koningstraat 45. Broeder en zuster overleden te Brussel (Joanna in 1867 en Joseph in 1871), maar werden in Hoogstade begraven.

In 1814, tijdens de scheiding van België en Frankrijk, was Joseph Clep genoodzaakt, wilde hij zijn functies van procureur bij het tribunaal van eerste aanleg te Veurne behouden, om brieven van groot-naturalisatie te verzoeken. Hij ontving die zonder uitstel. Voor zijn ontslag als notaris in 1833, en daarna, werd Joseph Clep Provinciaal Raadslid, Lid van de Bestendige Deputatie van West-Vlaanderen en volksvertegenwoordiger. Deze twee laatste functies oefende hij uit gedurende 9 jaar. Dat Jospeh Clep al die functies bekleedde zal gedeeltelijk toe te schrijven zijn aan het feit dat hij franstalig was. Tijdens de annexatie had Frankrijk het gebruik van de Franse taal sterk opgedrongen. En iedereen die hier school liep en hoger onderwijs volgde, deed dit uitsluitend in het Frans.

Langs die politieke activiteit om moest Joseph Clep zeer goed op de hoogte zijn geweest van alles wat de Burgerlijke Godshuizen sedert 1796 betrof. De reorganisatie van de Openbare liefdadigheid, is het werk geweest van de wet van 7 oktober 1796, die de Burgerlijke Godshuizen inrichtte. Volgens die wet moest er in elke gemeente een kommissie van beheer bestaan voor de burgerlijke hospitalen, bestaande uit vijf leden van de gemeente. De burgerlijke hospitalen moesten aanzien worden als rechtspersonen, met de bevoegdheid onroerende goederen te bezitten. De kommissies der burgerlijke hospitalen mochten geen onroerende goederen verkopen, uitwisselen noch aanschaffen zonder een daartoe bijzondere wet.

Het merkwaardigste karakter van het door de Staat nieuw ingevoerd systeem lag hierin dat hij verzaakte aan de door hem zo onvoorzichtig aangenomen taak rechtstreeks op zijn inkomen te voorzien in de noden der noodlijdenden. Voortaan zou die zorg berusten bij private instellingen, die, op dit doel afgestemd, over eigen bestaansmiddelen beschikten.

Wat wij voor de oprichting van de OCMW's zagen als de 'Commissies van Openbare Onderstand’, is een conglomeraat van diverse instellingen, die op een bepaald moment gefusioneerd werden. Naargelang hun aard zijn deze instellingen in twee categorieën in te delen: de ene waren bestemd voor de Armen, de andere voor de Ziekenzorg. De Godshuizen waren de eigenlijke centra waar de ziekenzorg beoefend werd. De meeste danken hun ontstaan aan privaat initiatief. In 1796 werden de Godshuizen samengebracht onder één beheer: de Kommissie der Burgerlijke Godshuizen.

Wanneer nu, ten jare 1854, op 69-jarige leeftijd, de heer Joseph Clep alle politieke activiteit stopzette, was die vorm van liefdadigheid aan de orde van de dag. En toch reeds aan de ondervinding getoetst, want hij laat neerschrijven in de akte van gift dat: "de ondervinding heeft bewezen dat er maar eeuwig durende verzekerd zijn de Godshuizen die wezenlijk ingericht zijn in de landelijke gemeenten, gesticht op een toereikend inkomen van onroerende goederen". Bovendien, zoals het een overtuigd mens past, ontpopt Joseph Clep zich tot een proseliet van dergelijke instellingen en doet opmerken dat, indien "in de zeldzame landelijke gemeenten alwaar oude Godshuizen bestaan meestal overal: de oorsprong, de naam van den stichter, en het jaar der instellingen, zijn verholen in de duisternis der tijden, het toch behoort dat soortgelijke weldaden openbaarlijk bekend blijven" en hij begeert, ten dien tijde, dat te Hoogstade in elk budget, rekening en verpachting der gegeven goederen, kortbondige melding wordt gemaakt van den familienaam van den stichter.

Wanneer nu, op 84-jarige leeftijd, in 1869, de heer Joseph Clep ten overstaan van zijn goede vriend Beesau, geneesheer, brouwer en burgemeester van Hoogstade, de wens uitte een deel van zijn goederen aan een op te richten bestuur van Burgerlijke Godshuizen over te maken, met het doel, na zijn dood, een tehuis voor ouden van dagen en weeskinderen te bouwen en eeuwigdurend te onderhouden, dan zal dit wel de vrucht geweest zijn van een lang, tussen zijn vriend en hem, besproken onderwerp.

Als een goede rentmeester die zijn eigen fortuin bij aankoop en op een eerlijke wijze verzameld had en had bestierd, gaat de schenker over tot bet bepalen van de wijze waarop het tehuis zal moeten worden gebouwd. "Al de gebouwen zeer ruim, de verdiepen verheven, bevattende allen wenselijke gerieflijkheden, voor een wel en luchtig gesticht, altijd goed onderhouden met de grootste netheid. Al de gebouwen een fraaien samenhang uitmakend en geplaatst op een wat verheven grond, opdat de kelderingen altijd van water zouden bevrijd wezen."

De gemeenteraad van Hoogstade nam het gebaar van Mijnheer Clep met grote dankbaarheid aan en verkoos, bij geheime stemming, het eerste bestuur der Burgerlijke Godshuizen te Hoogstade. Werden benoemd: Beesau August, geneesheer, Rob Louis, Vanstecheima Leonard, Woutters Pieter en Zoete Charles; allen landbouwers wonende te Hoogstade buiten de laatsten die was van Sint-Rijkers. Dit geschiedde in de zitting van 20 mei 1869. Bij akte van 22 mei 1869, verleden bij notaris Rolly, te Wulveringem, schonk de heer Joseph Clep 155 hectare in naakte eigendom aan het bestuur der Burgerlijke Godshuizen te Hoogstade.

De heer Joseph Clep overleed op 8 mei 1871. Door dit overlijden kregen de Burgerlijke Godshuizen volle eigendom van de grond - goederen van de heer Clep - en was meteen de verplichting ontstaan om het Rustoord te bouwen. Want de stichter begeert dat alles zo haast mogelijk wordt opgemaakt en dat de eerste behoeftigen zouden kunnen in bet Godshuis opgenomen worden, ten langste in het zesde jaar na zijn overlijden. De bouwwerken werden aangevat in 1873. De bouwmeester was François Herninx, ingenieur-architect te leper. De kostprijs van de ruwbouw beliep toen 82.752 frank volgens bestek, en werd toegewezen aan Mijnheer Lapierre ­Vandevyver uit leper. Het was op 2 december 1876 dat, in het dat jaar voltooide gesticht, de eerste grijsaard werd opgenomen. De bediening van bet oudemannenhuis werd bij de opening ervan en tot in het jaar der verbouwingen, 1961, aan de Zusters van liefde van Kortemark toevertrouwd. Deze namen ontslag in september 1961.

In de oorlogsperiode '14-'18 diende het rusthuis als hospitaal voor gewonde soldaten.


De laatste rustplaats van Joseph Clep op de begraafplaats van Hoogstade

 

De verbouwing: 1961 — 1965

Het Rustoord was verouderd en niet meer aangepast aan de moderne eisen van huisvesting. In de geest van bet legaat Clep werd door de Commissie van Openbare Onderstand in 1957 beslist, na talrijke contactvergaderingen met de verantwoordelijke instanties van het Ministerie, het Rustoord grondig te verbouwen. ‘Dit gebeurde onder impuls van de sekretaris-ontvanger van de C.O.O. van Hoogstade, de Heer André Ryon, daartoe benoemd op 16 mei 1956. André Ryon is de vierde opvolger in die betrekking. Nadat opeenvolgend twee zonen van August Beesau, de vriend van Joseph Clep, dit ambt hadden vervuld, was dit overgegaan op Marcel Spiliaert die het uitoefende van 1908 tot 1964.

Tot de verwezenlijking van de verbouwing van het Rustoord, bewezen de heer André Ryon, sekretaris-ontvanger, Mevrouw K. Debacker-Dewuif, voorzitster van de C.O.O. en heel bet bestuur daarvan, waardige erfgenamen te zijn van de geest die de stichter had bezield.

Een eerste stap tot tegemoetkoming was dat de kommissie de machtiging kreeg om twee reeksen plannen op te maken, het eerste volgens de voorstellen van bet Ministerie (valse zolderingen) en het tweede volgens de opvatting van de kommissie (betonwerk).

Op 17 mei 1957 trof de kommissie het besluit tot verbouwing en op 18 augustus 1957 werd Dhr. Plasman, architect te Veurne, tot bouwmeester aangesteld. Op 28 december 1958 ontving de kommissie de goedkeuring voor haar plan door Minister Leburton. Er werden echter geen subsidies toegestaan en de kommissie diende te verbouwen op eigen kracht.

Men kwam eindelijk tot het besluit, op 25 maart 1960, de plannen tot verbouwing in uitvoering te brengen.

Ondertussen had de kloostergemeenschap van de “Zusters van liefde” van Kortemark, die sedert de stichting het rustoord bedienden, op 19 maart 1960 haar opzeg voor die bediening gegeven, zodat deze kloostergemeenschap op 19 maart 1961 definitief het rustoord zou verlaten. De kommissie had flu een zware moeiijkheid meer op de hals. Na een uitstel van enkele maanden voor de “Zusters van liefde”, kreeg de kommissie een nieuwe gemeenschap “De Zusters van Maria" van Vladslo, die in dienst traden op 15 september 1961. Een nieuw kontrakt werd ondertekend en de uitbating van bet rustoord kon op nieuwe basis starten. Gezien de afstand van het rustoord tot de kerk der dorpplaats, was door de kerkelijke overheid geëist geworden, voor de ondertekening van het nieuw kontract met de kloostergemeenschap, dat er voor de zusters vervoermogelijkheid zou voorzien worden om ter kerk te kunnen gaan- aldus werd een personenwagen aangekocht.

Door dit nieuw kontrakt was de uitbating van bet “Rustoord Clep” op een nieuwe leest geschoeid. De heer Andre Ryon, sekretaris- ontvanger van de C.O.O. en tevens gerneentesekretaris, werd aangesteld tot bestuurder van het Rustoord.

Op het vlak van de bouwwerken was onderwijl duchtig doorgewerkt geworden. Op 21 oktober 1960 had de eerste aanbesteding plaats voor lot 1, namelijk de ruwbouw en het schrijnwerk. Met de regelmatigheid van een uurwerk werden de verdere plannen en bestekken ter goedkeuring voorgelegd en werden de aanbestedingen uitgeschreven en de werken toegewezen. Zo volgden elektriciteit, centrale verwarming, sanitair, lift, artisanale put. hoogspanningskabine, meubilair, keukeninrichting, schilderwerken en voltooiingswerken.

Om de grote verbouwingswerken te kunnen financieren werd er een eerste lening aangegaan bij het Gemeentekrediet van België, dit op 1 september 1961 voor een nominale waarde van 2.135.000 frank. Er was in de kas meer dan 2.000.000 frank reserve en er werd op 31 augustus 1962 beslist 12 hectare grondeigendommen openbaar te verkopen. Op 22 januari 1965 werd een nieuwe lening beslist bij het Gemeentekrediet van Belgie voor een nominaal bedrag van 1.800.000 frank.

Ondertussen werden de diverse werken uitgevoerd door de diverse aannemers. Dat dit niet zonder horten en stoten verliep laat zich gemakkelijk raden

Op 29 en 30 mei 1965 kwam de grandioze bekroning van veel werk, last en miserie. Op zaterdagnamiddag werd bet Rustoord Clep officieel ingewijd en ingehuldigd door Mgr. De Poorter in samenwerking van Z.E.H. Deken Vandenberghe, uit Veurne, en Z.E.H. Pastoor Olivier.

Op deze plechtigheid waren o.m. aanwezig dhr. WA. Dezitter, arrondissementskommissaris, dhr. Vandamme. volksvertegenwoordiger, de plaatselijke gemeenteraadsleden en leden van de kommissie van openbaren onderstand en kerkfabriek, de algemene oversten van de Congregatie van Vladslo.

Na de inwijdingsplechtigheid en onthulling van een gedenkplaat in de hal, door Mevrouw K. Debacker-Dewulf. voorzitster, volgde een akademische zitting. In haar spreekbeurt verklaarde de voorzitster ondermeer: “In 1961 werd de benaming gesticht Clep officieel veranderd in “Rustoord Clep”. Dit om de gedachtenis aan haar milde en onbaatzuchtige stichter Joseph Clep in ere te houden.
 

De 2de verbouwing en verhuis: 1980 — 2013

In de jaren 1980 volgt een tweede grote verbouwing. Tegen het bestaande gebouw wordt een nieuwe vleugel opgetrokken met nieuwe kamers, burelen en een feestzaal. De “nieuwbouw” wordt op 19 juni 1993 officieel ingehuldigd. Maar ondanks de investeringen blijkt al vrij snel dat het rustoord in zijn geheel totaal voorbijgestreefd is. Het complex voldoet anno 2000 niet aan de geldende eisen van comfort en functionaliteit. Bovendien vraagt de overheid de bestaande ligging van het rusthuis te herzien en de voorziening te integreren in de woonkern van Alveringem.

In september 2013 valt definitief het doek over het rust– en verzorgingstehuis Clep. De bewoners verhuizen naar het gloednieuw woonzorgcentrum ‘t Hoge nabij de dorpskern van Alveringem. Deze site wordt verder uitgebreid met andere vormen van ouderenzorg. Er wordt geïnvesteerd in een groepswoning voor bejaarden en nieuwe bejaarden- en assistentiewoningen.
 

De Passage: 2014 — heden

Ook na de verhuis van het woonzorgcentrum blijft Clep een sociale functie bekleden. Sinds september 2014 is hier ‘De Passage’ gevestigd, een project voor de opvang van dak- en thuislozen in de regio. Het verblijf in ‘De Passage’ biedt een periode van tijdelijke woonzekerheid aan personen en gezinnen tot er een duurzame oplossing gevonden is voor de huisvestingssituatie. Het projecten wordt getrokken door OCMW Alveringem. OCMW’s van andere West-Vlaamse gemeenten hebben zich hierbij aangesloten.

De Passage richt zich tot mensen die niet over een eigen woonplaats beschikken: mensen die getroffen zijn door een ramp, zoals brand of overstroming; omdat hun huis onbewoonbaar is verklaard; omwille van een gerechtelijk bevel tot uitdrijving; door familiale problemen of omdat ze dakloos zijn.

Dank zij het legaat van Joseph Clep heeft OCMW Alveringem, anderhalve eeuw na de milde schenking, een hedendaags woonzorgcentrum kunnen bouwen en het oude rustoord in Hoogstade een nieuwe bestemming gegeven.